Wat een belachelijke beesten zijn dat toch.

Ik liep vanaf het station in de stad van mijn ouders naar het huis van mijn ouders. Ik liep tussen de bomen door langs de slotgracht en er lagen bladeren over heel het pad, en ze waren eigenlijk bruin maar ze leken goud door de zon. Het was koud, maar de zon maakte het fijn. Ik had een gelukkig moment toen ik daar liep. Ik sleepte mijn trolley achter me aan, ik voelde me weer net de kofferjongen uit Made (er was bij Made ooit eens een aflevering over een jongen die een koffer op wieltjes had als schooltas, hij nam deze echt overal mee naar toe en hij had hem zelfs een naam gegeven. Op de momenten dat ik de hele dag met mijn trolley sjouw voel ik me net zoals deze jongen) en ik luisterde naar The Killers. Ik passeerde een paar vrouwen die hun honden aan het uitlaten waren, en op dat moment werd mijn rust verstoord.

Een van de honden, een heel grote, begon hard te blaffen en begon te rukken aan de lijn en hij sprong bovenop mijn trolley. Hij viel mijn trolley aan! En de vrouw trok aan de lijn maar het hielp niet en toen hing ze er met heel haar gewicht aan en gaf de hond eindelijk toe en sprong hij van mijn koffer af. “Sorry,” zei de vrouw toen, “hij denkt dat het een hond is.”

Ik heb er de rest van de weg naar huis (die vijf minuten duurde, maar oké) hardop om gelachen. Hij denkt dat het een hond is :’)

Ik neem nooit van mijn leven een hond – ze zijn werkelijk achterlijk.